Feeds:
Berichten
Reacties

“En ondertussen laat je Sam verrekken?”

“Ondertussen zal ik alles op alles zetten om Sam te vinden en te beschermen.”

Jo zweeg en keek Alec langdurig aan. Toen sprak hij verder.

“Sam zat zijn dagen op de muur bij de kerk en observeerde. Hij heeft één keer contact gehad met Judith die voor zaken in het buitenland verbleef. Dat vond ik raar, het is immers haar kind, maar ik begreep dat de relatie met Bjorn moeilijk was geworden. Natuurlijk was ze op de hoogte van de geruchten die er rondgingen over zijn drugsbemoeienissen en ze heeft daarover forse ruzies met hem gehad. Eigenlijk verliep het volgens dezelfde route die Bjorn bij Lot afgelegd had: steeds minder contact en uiteindelijk uit beeld. Judith leefde gewoon haar leven: veel weg, veel in het buitenland. Misschien was het ook wel het normale patroon bij moeder en zoon: Bjorn zag haar al niet veel voordat hij verdwenen was. En voor een buitenstaander als ik is het misschien vreemd om te zien dat een moeder niet alles op alles zet om haar zoon terug te vinden… maar misschien doet Judith wel gewoon wat een andere wanhopige moeder ook zou doen in dezelfde moeilijke… misschien onmogelijke omstandigheden: doorgaan met je leven. Hoelang is Bjorn eigenlijk precies weg?”

Jo keek naar mijnheer Hazendans maar die was ondertussen in slaap gevallen. Alec knikte Jo toe en leek de oude man zijn rust te gunnen. Hij pakte de kop van Jo op en liep ermee naar het koffiezetapparaat. Toen hij met twee gevulde koppen terugkwam in de woonkamer trof hij Jo aan bij het raam. Hij keek naar buiten. Jo leek qua postuur totaal niet op Sam. Hij was kleiner, minder fors.

“Waar denk je aan, Jo?”

Hij draaide zich om en liep terug naar de tafel.

“Na die gebeurtenis in Harlingen ben ik Sam weer tegen gekomen. Hij zocht me op na een telefoontje, heel onverwachts. Onze familieband is niet zo sterk dus hij verraste me met zijn plotselinge bezoek. Wat me in ons gesprek opviel is dat hij steeds weer terugkwam op de vreemde sfeer die er hier in Maastricht heerst. En nu ik de laatste dagen wat onderzoek heb gedaan naar Bjorn, kom ik erachter dat hij gelijk heeft. En zo vallen er steeds meer dingen op hun plek.”

“Zoals?”

Jo kauwde even op zijn onderlip en liet de versgedraaide sigaret tussen zijn vingers draaien.

“Kijk, Bjorn zijn verdwijning is natuurlijk niet wereldschokkend: dagelijks verdwijnen er mensen, ook jonge mensen die middenin het leven staan. Maar het schijnt zelfs in de directe omgeving van die mensen niet diep, niet echt dóór te dringen… Hoe kan het dat een moeder, een vriendenkring, familie of een school zijn leerling uit het oog verliest? En een verdwijning van een jongen als ‘een schokkend incident’ benoemen maar na enkele dagen de draad weer oppakken alsof er niks aan de hand is? En dat terwijl rond dezelfde periode van Bjorn’s verdwijning ook nog Gwen verdwijnt? Hoe kan het dat een stad onder invloed staat van een paar drugsdealers zonder dat iemand er zich zichtbaar zorgen over maakt? Het gaat in de stad over de productie en de verslavingsgetallen: het gaat over spreidingsbeleid waar de wiet verkocht mag worden. Het schijnt dat politieke kopstukken belangen hebben, op welke manier dan ook, in die georganiseerde misdaad.”

Jo inhaleerde.

“En het gaat dus niet over die indringende zaken waar mijn leerlingen het dagelijks over hebben. Maar ook dat went, weet je… want ook ik betrapte me op de gedachte dat ik zelf beïnvloed wordt door die sfeer van ‘laat maar zitten’. Ik heb geen oog voor wat er buiten aan de hand is. Ik zit ook maar in mijn eigen kringetje te dutten en ik vind het allemaal wel best. Zaken waar ik me vroeger druk over maakte vind ik nu geneuzel in de marge.”

Hij zweeg even.

“Mijn streven is Kluizenaar te zijn en van mijn werk het Kluizenaarschap te maken.”

“Wat zeg je?”

“O nee”, glimlachte Jo, “Qiuse kent natuurlijk niet alle zegswijzen… in ieder geval niet de mijne. Laat ik het zo zeggen, in mijn tijd noemde je mensen die te lui waren om te werken ‘langharig werkschuw tuig’. Ik ben de representant van een uitgestorven generatie.”

Alec keek hem niet-begrijpend aan.

“Laat maar”, zei Jo en blies uit. Hij stond op en strekte zijn benen. “Ik ga even naar de wc.”

Niet veel later klonk het doorspoelen van het toilet, het stromen van het water uit een kraan en kwam Jo terug de woonkamer in. Hij trok zijn broekriem aan en gaf Alec een knipoog.

“Maastricht is naar binnen gekeerd en haar bewoners zijn ingeslapen. Begrijp je dat wel, Alec?”

 

“Hij in ieder geval niet”, glimlachte Alec en hij knikte naar een ronkende Hazendans die ongegeneerd lag te snurken in de stoel. “Hij volgt alles met buitengewone belangstelling van wat er in de stad gaande is. Voor zijn gezin, in verband met de stam Dan, vanwege Sam… en jou.”

“Huh?”

“Ja, ook met jou. Daar zal ik je nog vertellen. Maar wat belangrijker is, is dat mijnheer Hazendans een uiterst dubieuze rol in dit verhaal speelt, Jo. Uiterst dubieus.”

Jo produceerde een grijnslach.

“Dat is bijzonder. Ik heb net mijn verhaal vertelt, jij zou het jouwe vertellen om mij dingen duidelijk te maken. Ik ben voorlopig nog steeds onwetend over Sam en jij zegt me dat ik even moet wachten wat mijn rol in de wereld van mijnheer Hazendans is. Ik krijg er genoeg van, wat wil je nu eigenlijk?”

“Nu Sam uit beeld is, wil ik dat jij je jas pakt en met mij meegaat. We gaan Bjorn en Sam ophalen.”

Jo liet de rand van zijn koffiekop even aan zijn onderlip hangen terwijl zijn geopende mond de warmte over de rand blies. Met grote ogen keek hij Alec aan en begon toen met een ongelovige blik zijn hoofd te schudden.

“Je bent de weg behoorlijk kwijt, Alec. Ik pieker er niet over. Sam heeft me toen om onderdak gevraagd en dat heb ik hem een nacht gegeven. Toen ontdekte ik de gevaren die hij met zijn zaak meebracht. Ik heb een lieve vriendin en een gelukkig leven, ook al ben ik leraar Duits. Ik geniet van ieder moment dat ik bij haar kan zijn en niemand, Sam niet en ook jij niet, zal daar verandering in brengen.”

Zijn ogen vingen de zijne en zogen ze op. Hij werd meegetrokken in een diepte van kilte. Zijn hersenen tintelden zo erg dat hij niet meer denken kon en zelfs de kou leek iets wat niet bestond.

   …Je luistert naar me…

En ondertussen leek de druk onder zijn voeten hem weer omhoog te duwen, terug in de…

“Wat zeg je?”

Het leek uit het niets te komen maar Alec keek hem indringend aan.

“O nee”, glimlachte Jo, “Qiuse kent natuurlijk niet alle zegswijzen…”

Jo liep naar de kapstok en pakte zijn jas.

“Kom, we gaan naar de kroeg.”

Advertenties

“Die opgravingen waar je het net over had”, onderbrak Alec, “wat is er gevonden, weet je dat?”

Hazendans boog zich naar voren, keek in zijn koffiekop en constateerde dat deze leeg was. Jo stond op en haalde de pot waarmee hij de lege koppen vulde. Hanzendans nam het woord.

“De opgravingen begonnen omstreeks 2002 in Veldwezelt Hezerwater, hier aan de overkant van het Albertkanaal, net over de grens in Belgie. Ik was daar enorm in geïnteresseerd omdat we ons vanuit de universiteit aan het eind van ons onderzoek vonden van de Romeinse periode. Deze nieuwe opgravingen leverden resten op van vier verschillende jachtkampen die in de vallei van het Hezerwater, een bijrivier van de Maas, gelegen waren. Heel specifieke Neanderthalsites.  Er zijn ook resten gevonden van dieren en daarmee werd Bjorns nieuwsgierigheid gewekt. Hij kwam enthousiast terug van die opgravingen met de mededeling dat er resten waren gevonden van een mammoet, of een neushoorn. Dat sprak enorm tot zijn verbeelding. In die periode is hij bezield geraakt, Bjorn heeft ook behoorlijk wat kennis als het over geschiedenis gaat.

“Dat zal je trots maken”, glimlachte Jo, “maar het doet niets af aan het verhaal wat ik zojuist probeerde te vertellen. Want Bjorn was inmiddels een grote jongen aan het worden in de drugsscene hier in Maastricht. De onfrisse types die in zijn leven binnentraden paaiden hem met geld en instrumentarium om zijn product nog sterker, nog beter te maken. En Bjorn had het aanvankelijk helemaal niet door. Hij voelde zich gezien en erkend in zijn kennis. En hij dreef de werkzame stof in zijn planten op tot grote hoogte. Ondertussen werd de relatie die hij ontwikkelde met Gwen er alleen maar heftiger op. Gwen was een beïnvloedbaar meisje, bloedmooi, verknocht aan drank, drugs en sigaretten en tegelijktijd heftig gelovig… geworden. Want uiteraard sloot ook zij zich aan bij de Danieten. Een onmogelijke combinatie die tóch mogelijk bleek… Bjorn én Lot hadden immers op eenzelfde manier hun leven ingericht.”

“Het doet me denken aan het verhaal dat Sam vertelde over die Rachel”, mompelde Alec.

“Bjorn en Gwen werden heftig verliefd op elkaar en daar sloegen de onfrisse heren munt uit”, ging Jo verder, zonder in te gaan op de opmerking van Alec. “In dat groepje zaten ook wat loverboys die Gwen op succesvolle wijze manipuleerden. Zij bezocht de dealers, de grote jongens, die diep onder de indruk waren van Bjorns teelt maar zeker ook van Gwens verschijning. Toen begon het zelfs voor Gwen, maar ook voor Lot, benauwd te worden.”

Jo draaide weer een nieuwe sigaret, nam een slok en keek wisselend Alec en mijnheer Hazendans aan.

“En toen gebeurden er een heleboel dingen tegelijk. Gwen werd door Lot doordrongen van het gevaar wat ze alle drie liepen. Feitelijk was Lot degene die in die periode nog het meest de zinnen bij elkaar had. Ze had in Gwen een hartstochtelijke vriendin gevonden, ze waren werkelijk dol op elkaar, en Lot was nog volop in de rouw van haar oma, mevrouw Hazendans. Lot scheen een angstig meisje te zijn, ze was als de dood dat ook Gwen levensgevaar zou gaan lopen. Ze werd afstandelijker en harder naar Bjorn om Gwen van hem los te weken en haar te behoeden voor allerlei ellende. En Bjorn, die er helemaal niks van begreep maar daar ondertussen ook helemaal geen tijd meer voor had, werd opgeslokt door zijn nieuwe leventje. Hij had ondertussen een flinke loods tot z’n beschikking gekregen waarin zijn gewassen in grote volumes werden gekweekt. Hij was nauwelijks meer in beeld bij zijn vertrouwde omgeving. Zijn moeder werkte voor een buitenlands bedrijf en was vaak weg van huis. Bjorn kwam af en toe, wat plichtmatig, bij Lot aan huis, maar toen Lot minder vriendelijk tegen hem deed waren die bezoekjes ook afgelopen. De grote vraag die de gemoederen bezig hield, was de vraag hoelang Bjorn al weg was nadat zijn verdwijning was opgemerkt. Dat, en de vraag waarom hij nergens geregistreerd leek te zijn. Zoals ik net al zei, Ik heb Bjorns school uiteindelijk gevonden door stomtoevallig in een examenkandidatenlijst naar de achternaam van Gwen te kijken. Daar stond ie vlak boven, alleen met zijn voornaam.”

“Dat doet me ergens aan denken…”, Alec mompelde weer.

“Enfin”, Jo ging onverstoorbaar door, “Judith werd geïnformeerd en die heeft vrijwel direct Sam ingeschakeld. Judith is Bjorns moeder”.

Alec knikte.

“Zij kende Sam natuurlijk omdat hij en Esther, Judith’s nicht, een relatie hebben en dus wist van zijn werk als privédetective. Sam zat dezelfde dag nog bij de muur waar hij vanaf dat moment post bleef houden.”

“Ja, dat hebben we verkeerd ingeschat”, viel Alec in, “de oorzaak dat hij zo passief onderzoek verrichtte. We waren natuurlijk een heel andere Sam gewend, een gedreven man die op onderzoek ging en actief handelde.”

“Misschien omdat ie net hersteld was?”, vroeg Jo, “ik begreep dat Judith hem belde toen hij goed en wel weer wat uren begon te werken.”

“Klopt, Sam had daarvoor een verschrikkelijk ongeluk gehad. Hij werd aangereden op de Oude Gracht in Utrecht en is over de reling op de werf gevallen. Hij heeft sinds die tijd last van geheugenverlies. Dat herstelt zich allemaal wel voor een groot deel maar hij heeft er nog steeds last van.”

“Heeft ie, voor die klap op zijn hoofd van een tijdje terug nóg een ongeluk gehad?” Jo zat op de punt van zijn stoel.

Alec knikte en pakte nu ook een sigaret. “Kijk Jo, we hebben een lange tijd getwijfeld of we Sam, zeker ná dat ongeluk, niet los moesten laten. Hij is veranderd. De ouwe Sam, de anarchist Sam die we kenden, leek wel overleden. Hij was een schim van zichzelf. Hij was vlak na het ongeluk zoveel kwijt geraakt dat we ernstig twijfelden of hij ooit nog zou genezen. Maar Sam is onvoorstelbaar als het gaat over zijn geest, zijn denkvermogen.”

Alec viel even stil en leek in zijn geheugen te wroeten.

“Hoewel ik het opmerkelijk vond dat zelfs Qiuse niets in hem opriep toen hij haar hier in Maastricht weer ontmoette.”

“Het begint me een beetje te duizelen, Alec”.

“Je moet ook eerst jouw verhaal afmaken, Jo. Ga verder”.

Jo keek hem met een wat meewarige blik aan en zweeg.

“Volgens mij had je het…”, mijnheer Hazendans kuchte, blijkbaar ongemakkelijk, een  vervelend gevoel weg.

“Ik weet waar ik het over had, dank je wel. Ik kan er met m’n pet niet bij, Alec. Het zal ongetwijfeld te maken hebben met het eenvoudige gegeven dat Sam mijn neef is. Als ik je beluister vertel je me dat je weet dat Sam een zwaar ongeluk heeft gehad, dat jullie hem jarenlang gevolgd en gebruikt hebben en dat je hem doodleuk in de meest gevaarlijke situaties brengt en vervolgens niet over gaat tot handelen als hij in een levensgevaarlijke situatie dreigt te komen? Heb ik dat nu goed?”

Alec knikte.

“Jullie hebben”, vervolgde Jo, “van alles en nog wat om hem heen gemanipuleerd om de koers te bepalen, hem verder te brengen of juist af te leiden van het doel wat jullie voor ogen hebben of hadden. En op de momenten dat Sam in doodsnood verkeerd… dan trek je je handen van hem af? Of erger, je laat hem gewoon verrekken. Ik kan me wel iets voorstellen bij de weerstand die hij heeft ten opzichte van jullie. En nu? Wat doen jullie nu? Sam is weg, verdwenen en dat was het? Waar is hij, weten jullie dat? Weet jij dat, Alec?

“Maak je verhaal af, Jo. Ik zal dadelijk proberen antwoord te geven op je vraag.”

“Ik maak helemaal niks af. Geef me eerst maar antwoord.”
Alec haalde zijn schouders op en stak een nieuwe sigaret aan.

“Je lijkt op Sam, Jo, dat moet ik je nageven. Ook zo’n eigenwijs stuk vreten. Die uitdrukking heb ik van Qiuse, die zegswijze kennen we in Engeland op een andere wijze, maar deze bekt wel lekker. Je hebt ook dat breedsprakerige van je neef. Je stelt dezelfde vragen met andere woorden in twee verontwaardigingen. Maar in beide gevallen krijg je van mij maar één antwoord. En ik wil je vertellen wat we bij de dienst hebben bedacht met Sam. Ik wil je vertellen over de gebeurtenissen die we met hem hebben meegemaakt… maar ik zou zo graag willen weten wat je allemaal hebt ontdekt. Dan kunnen we samen een verhaal maken en goede vervolgstappen nemen. Dus ik beloof je dat ik je vragen zo goed mogelijk zal proberen te beantwoorden als jij jouw verhaal afmaakt. Je hebt niet zoveel meer te vertellen. Je hebt, net als Sam, de sterke behoefte om het relaas in chronologische volgorde te vertellen.”

Ze kwamen zonder oponthoud bij Jo aan. Mijnheer Hazendans was na de korte rit door Alec gewekt en was verkwikt uit de auto gestapt. Jo herkende de bejaarde man en had vervolgens kennis gemaakt met Alec. Hij zette koffie en maakte een broodmaaltijd, luisterde ondertussen naar de verslagen die beiden gaven en stelde vragen. De verdwijning van Sam maakte grote indruk op Jo die tot in detail wilde weten wat er in de uren, dagen, weken van Sam’s afwezigheid gebeurd was.

Er viel na verloop van tijd een lange stilte. Alec sloot zijn ogen, Jo kauwde wat op een korst brood en Hazendans trommelde met zijn vingers op de armleuning van de fauteuil.

“Ik ben verder gaan zoeken naar de school waar Bjorn onderwijs heeft gehad”, begon Jo, “het was nog een opgave maar uiteindelijk kwam ik zijn naam tegen in een lijst die ik had aangetroffen op de achternaam van Gwen. Het bijzondere was dat Bjorn daar alleen met zijn voornaam geregistreerd stond. Niemand op de school kon me verklaren waarom hij niet met zijn achternaam in hun systeem ingeschreven stond. Ze wisten wel ogenblikkelijk wie ik bedoelde en dat hij was verdwenen. Bjorn was een geliefde leerling, hij scoorde niet bijzonder goed maar hij was betrokken bij de school, populair bij docenten en zijn  klasgenoten en een bijzondere jongen om te zien. Hij was – of is – een begaafd danser en muzikant, hij speelt gitaar geloof ik. Verder wisten ze niet zoveel van hem, behalve dat hij gescheiden ouders had en dat hij een belangstelling had voor geschiedenis. Dat zal hij van u hebben, neem ik aan?”

Jo knikte naar Hazendans en schraapte zijn keel. Ondertussen draaide hij een sigaret en nam een slok koffie.

“Bjorn was betrokken bij een vondst van prehistorische voorwerpen die waren gedaan op Dousberg. Volgens de docenten die ik heb gesproken was hij buitengewoon nieuwsgierig maar ook heel geestdriftig in zijn onderzoek. Opmerkelijk was zijn gedrevenheid met betrekking tot riten uit die periode. Dat werd tenminste gezegd door zijn klasgenoten, dat en het feit dat Bjorn en Gwen elkaar bij die opgravingen goed hebben leren kennen.”

“Was Gwen geïnteresseerd in geschiedenis?”, vroeg Alec.

“Helemaal niet, zij was voornamelijk geïnteresseerd in Bjorn, de hele opgraving liet haar koud. Ze ging zelfs zo ver dat ze een vriendschap sloot met Lot, omdat ze wist dat die twee, naast hun familiaire relatie, ook een hechte vriendschap hadden door…”

“Ja, door het geloof”, reageerde Alec die wat ongedurig overkwam.

“…door hun gezamenlijke passie voor drugs, Alec. Vergis je niet maar Bjorn was een stevige gebruiker, ook al was hij niet zo heel erg oud. En daarmee kom ik eigenlijk tot de kern: Bjorn, Gwen en Lot waren de laatste maanden dat hij, Bjorn dus, hier nog rondliep, niet alleen grootgebruikers maar ook kleine dealertjes. Bjorn…”

Mijnheer hazendans schoot op uit zijn stoel, opmerkelijk kwiek voor een bejaarde man.

“Kom op Jo, je gaat nu gewoon mee in die idiote verhalen die er rondom mijn  kleinzoon worden uitsproken. We weten allemaal dat die rotzooi te makkelijk wordt verstrekt in deze stad maar ik vind het wel heel slap om hem nu af te schilderen als een spin in het web van drugsdealers. Bjorn is een periode heel beïnvloedbaar geweest voor hasjiesj en wiet, maar hij heeft zich daar door het geloof heel manmoedig doorheen geslagen. We wisten in de Tent allemaal van zijn drugsgebruik, natuurlijk, er waren immers ook andere jongeren die er mee te maken hebben gehad. Er zijn destijds hele mooie, godvruchtige gesprekken gevoerd met hem en met die andere kinderen om ze weer terug te brengen op het pad van de waarheid. Dat was een groot succes Jo en ik vind het heel jammer dat je dit nu ter sprake brengt als een..als een, wat wil je nu eigenlijk beweren Jo?”

Jo glimlachte en nam nog een forse trek van zijn sigaret.

“Ik beweer helemaal niks, mijnheer Hazendans, helemaal niks. Ik heb ook geen enkele reden om te denken dat Bjorn onderdeel was van een of andere louche bende. Dat bedenkt u nu maar en ik heb er verder niet zo’n boodschap aan. En wat er in uw geloofsgemeenschap gebeurt zal me ook een zorg zijn, ik moet van die hele troep niks hebben. U mag geloven wat u wilt, ik vind het allemaal best. Maar kom niet met uw waarheid bij mijn geweten als ik u daar niet om vraag. Uw waarheid is namelijk niet rechtsgeldig. Mijn geweten ook niet, prima,  maar ik heb een persoonlijk juridisch wetboek waar uw waarheid niet eens in staat, kunt u nagaan! Ergo: vertel mij eens wat u zich van Bjorn herinnert. Dat vind ik veel interessanter dan die dogma’s die u dreigt te ventileren.”

Alec boog zich naar voren en knikte.

“Bjorn was”, zo ging Jo verder, “een uitblinker, een hele grote jongen in de scene waarin hij verkeerde. Hij was geliefd omdat hij een heel sociaal ventje was en omdat hij met iedereen, werkelijk met iedereen een contact had. Met zijn muziek en met zijn dans trok hij heel veel mensen naar zich toe… En altijd positief en vriendelijk.”

Jo pakte zijn pakje shag en begon een nieuwe sigaret te rollen.

“Hij had een verslavingsprobleem. Toen Bjorn begon met roken, rookte hij na een paar maanden al iedere dag een pakje shag leeg. Op z’n 15e werd hij op de Eerste Hulp binnen gebracht omdat hij zichzelf van de wereld had gezopen. Hij kweekte wiet omdat hij zeker wist dat het THC-gehalte verder opgevoerd kon worden. Bjorn blonk op school nergens in uit maar biologie en scheikunde waren zijn domein. Het was niet crimineel, het was hobby… en het was voor zichzelf. Hij genoot volgens zijn klasgenoten van die staat van opperste gelukzaligheid. En Bjorn bleef gewoon een fijne vent, zelfs toen hij in contact kwam met niet bijster fris volk wat zijn kring binnendrong…”

“Wat bedoel je nu eigenlijk Viktor? Stop met die vage opmerkingen en vertel me die naam. En vertel verder over je gezin.”

De scherpte keerde terug in de ogen van de oude man. Hij was ineengezakt, zijn lichaam vertoonde de vermoeidheid waarin hij verkeerde maar zijn hersenen kwamen niet tot rust. Hij hief even zijn hand op, enkele centimeters maar, en hij schraapte zijn keel. Hij dronk het laatste restje uit de fles en spoelde de binnenkant van zijn mond. Zelfs dat was vermoeiend, hij hijgde toen hij zijn tong over zijn lippen liet gaan. Hij wilde zich oprichten maar zonk terug in de stoffen bekleding van de achterbank. Alec pakte even, heel kort, zijn hand. En in de verte, ver weg in de gedachten van de man klonken, bijna eindeloos aanzwellend en helder, indringende violen, met klokgelui in een lugubere cadans […ondergaan …ondergang  …diep] en hij keek scherp vooruit.

“Miera. Miera Ypovlivon. Een Griek.”

“Qiuse en Esther dragen úw achternaam. Waarom?”

“Toen Miera stierf ben ik me bezig gaan houden met zijn tak van de familie. Noem het een eerbetoon. Ik vond Miera een fijne man. Hij was erg intelligent, bevlogen in alles wat hij deed en een bijzondere denker. Hij heeft veel ouderlingen de kop gek gemaakt met zijn denken over de Schrift. Niet dat hij kritisch was, hij wierp dilemma’s op die menig uur discussie opleverde. Hij werd in de Tent als een bijzondere man gezien. En hij was geliefd. Ik kon erg met hem lachen, hij was de vleesgeworden buitenlander die aan alle clichés voldeed. Aartslui, een flirter, een vlotte babbel vol goede voornemens en vliegende starten maar uiteindelijk een slappeling in het afronden. Zijn levensdoel was om zó te leren kankeren als Nederlanders dat kunnen. Hij was er van overtuigt dat zijn afkomst dan niet meer op zou vallen. Omdat er nooit een kwalijk woord uit zijn mond kwam werd zijn gekanker erg humoristisch. Dat kleefde uiteindelijk weer aan hem: mensen namen hem maar moeizaam serieus. Want dat was de andere Miera, je had nooit het idee dat je hem kende. Voor veel mensen was die man een gesloten boek. En dat heeft me flink wat informatie gekost. Ik had geen enkel aanknopingspunt in zijn stamboom. Ik keek uiteraard naar de gegevens van zijn grootouders in de Griekse databases van genealogieverenigingen. Ik kon niks vinden. Ik heb allerlei varianten op achternaam en voornaam gebruikt maar het leverde geen resultaten op, geen bruikbare althans. Had ik iets meer van Miera geweten, dan had ik wellicht omgevingsfactoren, plaatsen, gebeurtenissen, weet ik veel. Pas na zijn dood realiseerde ik me dat ik geen idee had waar hij geboren was, wat zijn geboortedag was. Dat was voor hem ook niet zo belangrijk, hij vierde zijn verjaardag immers nooit, maar het gaf aan hoe minimaal mijn kennis over die man was.”

“Wanneer is hij gestorven?”

Er ontschoot een lach bij mijnheer Hazendans en plots richtte hij zich op met een uitgestoken hand naar Alec. Met zichtbaar plezier pakte hij zijn hand.

“Probeer jij dat maar eens uit te zoeken. Ik verzeker je, dat vind je nooit. En ook je dienst in Engeland niet broeder.”

Alec grijnslachte. Hij voelde ineens een tikkeltje sympathie voor de man.

“Ik zal niet eens moeite doen. Vertel het me maar.”

“Ik was, zoals ik zei, met zijn grootouders begonnen. Ik kon niks vinden. Ik heb zijn ouders proberen te vinden. Via de universiteit had ik natuurlijk toegang tot zo’n beetje alles wat ik weten wilde. Niks te vinden. Griekenland was destijds nog volop in de geest van de Junta die daar huis had gehouden, er was een enorme corruptie en administratief was het een onstellende puinhoop. Ik vond in die situatie de oorzaak dat er gegevens verloren waren geraakt. Totdat ik ontdekte dat Miera zélf niet eens geregistreerd was. Niet in de burgerlijke stand, niet bij de belastingen, niet bij een ministerie. Hij leek volledig te ontbreken in welke administratie dan ook. Ik heb zelfs bij de Mormonen onderzoek gedaan, godbetert! Onder de streep, Alec, bleek Miera niet te bestaan.”

“Maar er waren veel mensen die hem kenden. Zijn vrouw, zijn dochters, Danieten?”

“Hij leefde ook voort bij de mensen. Soms hoor je iemand nog wel eens over hem praten. Maar zo nu en dan heb ik het idee dat men steeds dieper moet nadenken over zijn naam. Hij wordt vergeten, Alec. Heel gewoon. Het lijkt alleen wat sneller te gebeuren. Maar ja, Esther komt ook niet meer in de Tent, Esther en Qiuse ontbreken. De band lijkt verbroken. En dat zal niet meer worden hersteld. Zeker niet nadat ze de gemeente, noodgedwongen, had moeten verlaten.”

“Werd ze uitgesloten?”

“Nee, het huis brandde af. Ze heeft zich met haar dochters kunnen redden maar ze was alles kwijt. Letterlijk alles. En daarmee ook ieder tastbaar bewijs van het bestaan van Miera. Ze vertrok naar een woning aan de andere kant van de stad en kwam daarmee in een andere Tent, een andere gemeente. En daarmee werd het hoofdstuk Miera eigenlijk gesloten. Hij kwam uit het niets, een vakantieliefde die uit de hand liep, en verdween.”

“Was zijn zelfmoord ook vastgesteld?”

“Niks over te vinden. Ik ken de commissaris die heeft destijds het onderzoek naar het overlijden van Miera heeft gedaan en kon zodoende het onderzoek volgen. Hij voorkwam dat het een cold-case zou worden door af en toe een rapportage te schrijven. Het heeft ruim drie jaar geduurd voor ze Miera vonden. Hij is al die jaren onvindbaar geweest.”

Er viel een korte stilte.

“Maar we wisten dat hij dood was door de boodschap die hij op video had achtergelaten.”

Alec knikte. Hij wist wat er komen ging.

“Die video is uiteraard ook vernietigd door de brand.”

Alec draaide zich om en keek door de vooruit de weg op. Ze moesten vertrekken, ze stonden hier al veel te lang. Hij had geen zin in politie en zeker niet naar hun vragen. Al hoefde hij maar zijn badge tonen om doorgang te krijgen, hij had geen zin in een ontmoeting. Hij moest naar Jo.

In de achteruitkijkspiegel; ontmoette hij de blik van de oude man.

“Ga slapen Viktor”.

En vrijwel direct vielen de ogen van mijnheer Hazendans dicht.

 

“Meerlingen en doodgeboorten, dat waren de accenten die ik las als ik me bezig hield met de genealogie van de families. Er was ook vaak een zweem van bevreemding. Het klopte nooit helemaal. Af en toe was er een andere spelling van de achternaam, dan was er weer een datum die af bleek te wijken van andere documenten. Het zijn van die kleine verschillen die als een rode draad door de geslachtslijn van Aleid en haar eerste man lopen. Minimale afwijkingen met af en toe iets dat echt raar is. Tot op de dag van vandaag gebeuren er nare dingen. Kijk naar onze kinderen. Aleid heeft drie gezonde dochters op de wereld gezet: Judith, Esra en Esther. Een drieling. Twee dochters hebben een zoon verloren bij de geboorte. Esra verloor haar oudste kindje en beviel even later van Lot. Lot heeft nooit goed om kunnen gaan met de gedachte dat ze de overlevende was van de tweeling. In haar pubertijd heeft ze een tijd lang met een schuldgevoel rondgelopen, dat zij de oorzaak van zijn dood was. Ze werd ook bang. Bang dat ze iets onder de leden zou hebben omdat ze misschien te lang met een dood broertje in haar moeder had geleefd.”

Hazendans schudde zijn hoofd en keek even omhoog.

“Esther, Aleids derde dochter, beviel ook van een drieling. Qiuse was de eerstgeborene, toen kwam Esther en als laatste hun dode broer. Esther heeft daar lang, heel lang last van gehad. Ze dook als een bezetene in het geloof, trok haar man en kinderen erin mee. Dat gaf hen een gevoel van geluk omdat ze heilig geloofden in een opstanding, een nieuw leven voor hun zoon. Danieten geloven in een nieuwe ordening: een nieuw samenstel van dingen waarbij de regering in de handen van Jezus ligt met zijn groep gezalfden. Hij zal het laatste oordeel vellen over de mensheid. Als die reiniging heeft plaatsgevonden zouden de mensen die gestorven waren vóórdat het laatste oordeel was voltrokken, een opstanding krijgen.”

“Ik ken de leer, mijnheer Hazendans”, glimlachte Alec.

De oude man knikte en glimlachte terug.

“Dat was de intense hoop die hen staande hield, een hoop die hen een perspectief gaf. Het begon te schuren toen Esther en Qiuse weerstand ontwikkelden. Ze werden getrokken door de wereld, het keurslijf van het geloof begon te wringen en die dode broer was een idee. Ze voelden misschien emoties voor hun moeder maar zij voelden zelf geen rouw, geen verdriet, geen verlangen naar een weerzien. Hun vader voelde zich verslagen. Hij zag in zijn dochters een legale buffer ten opzichte van zijn vrouw. Hij kon niet goed omgaan met haar intense verdriet en dat maakte hem wanhopig. Toen het geloof Esther zichtbaar opbeurde en het gezin rust en vrede vond werd ook hij gegrepen door het geloof. Hij ervoer de Kracht van God, zoals Esther het omschreef. Hij kreeg instrumentarium aangereikt om het verdriet en de rouw van Esther hanteerbaar te maken. Tegelijkertijd kon hij daarmee structuur in het leven en denken van zijn dochters brengen. Hij manipuleerde, maar wel met oprechte doelen. Ook hij wilde dit gezin, zijn gezin, door het laatste oordeel loodsen. Hij hield oprecht van Esther en hij adoreerde zijn dochters. En in zijn dode zoon lag zijn intense wens opgesloten, een erfgenaam, een jongen.

Toen Qiuse zich verdiepte in de achtergronden van de Danieten (en daarmee kritischer en ernstiger werd) en Esther zich verloor in de wetenschap en de wereld, knapte er iets in hem. Het verdriet van Esther en haar boosheid omdat haar dochters zich van haar afkeerden lieten de wanhoop bij hem terugkeren. Esther dompelde zich in een rouw in het kwadraat en hij werd wanhopiger. In zijn radeloosheid heeft hij zelfmoord gepleegd. Nou ja, ik hoef je niet te vertellen wat dat met Esther en haar dochters deed. Kapot waren ze er van. En Esther dook nog dieper… als je begrijpt wat ik bedoel.”

“Je hebt geen enkele keer zijn naam genoemd… en Qiuse heeft altijd contact gehad met haar moeder. Ze keerde zich niet van haar af”.

Alec bleef in zijn gezicht kijken en wreef met zijn duim over zijn vingertoppen. Hazendans staarde voor zich uit, slikte in zijn droge keel en tastte naar de fles naast hem.

“Esther was bezig met het toewerken naar de doop van haar dochters. Ze beschouwde hen al min of meer als geestelijke zusters. Dat deed haar nog het meeste pijn, dat ze met die enorme bagage aan geestelijke wetenschap bewust afstand namen van haar, haar geloof, haar gezin… haar dode zoon. Hun broer. De Erfgenaam. Bedenk je maar wat Esther te verliezen had.”

“Je hebt geen enkele keer zijn naam genoemd”, herhaalde Alec.

“Hij bestond niet meer”.

Alec zuchtte en haalde zijn schouders op.

“Ik bedoel eigenlijk dat hij nooit heeft bestaan.”

 

Mijnheer Hazendans kon wat op adem komen op de achterbank van de auto. Alec stak nog een filtersigaret op en blies de rook door een brede kier in het raam naar buiten. Hij had nog maar net een gesprek over de telefoon afgesloten, een gesprek in het Engels, toen hij zich wederom via de achteruitkijkspiegel tot de oude man wendde. Hij knipoogde en liet een vriendelijke glimlach zien.

“Je bent bang Viktor, ik begrijp ook dat je bang bent. Wees gerust, alles wat er nog komen gaat zal je heus wel overleven. Je bent een belangrijke man in ons onderzoek naar Bjorn, dat weet je. Hij zal binnenkort weer met zijn moeder verenigd worden, dat beloof ik je. Maar we hebben wel het één en ander met elkaar te bespreken. Je oorlogsverleden heeft een vervelende smet op onze samenwerking gebracht en ik kan dat niet negeren. Het werpt op belangrijke onderdelen een nieuw licht op het grote onderzoek. Ik denk dat je niet eens beseft wat je keuze destijds voor een gevolgen in het hier en nu zou hebben. Vertel me waarom juist de man van Aleid slachtoffer was van de Duitsers, of eigenlijk van jou? Waarom heb je juist hem erin geluisd?”

Mijnheer Hazendans probeerde wat te zeggen maar was met stomheid geslagen. Hij maakte moeizaam wat gebaren, haalde zijn schouders op maar kon deze niet ondersteunen met uitleg. Alec sprak door.

“Hoe is Aleid eigenlijk gestorven Viktor? Dat kan je me toch wel vertellen?”

Hazendans slikte en smakte. Zijn mond was kurkdroog. Alec bood hem een fles water aan. Hij pakte het aan en dronk. Buiten gleden de huizen aan hem voorbij. Hier en daar waren mensen bezig, onderweg naar iets of iemand of eenvoudig met elkaar in gesprek. Hij bekeek het met een lichte jaloezie. Er leek niks aan de hand. Niks duidde erop dat er net een bom was afgegaan onder de kerk nabij Dousberg, er klonken nergens sirenes, er waren nergens opgewonden toestanden.

Ze waren voorlopig nog niet bij de woning van Jo en dat verontrustte de oude man enigszins. Hij had geen idee wat hem nog te wachten stond.

“Ik werd ingelicht op de universiteit”, begon hij, “ik was op een afscheidsfeestje van één van mijn vroegere studenten. De politie was in burger gekomen en Henk, de vroegere decaan, haalde mij op. In zijn voormalige werkkamer zaten twee mannen die mij vragen stelden. Ik was nergens op voorbereid, eigenlijk dacht ik aanvankelijk dat één van de studenten iets had uitgehaald en dat ze feiten wilden controleren.”

Hij slikte even en nam nog een slokje uit de fles.

“Ineens legde een agent een sjaal op het bureau van Henk. Of ik die herkende. Pas toen begon mij iets te dagen en werd ik zenuwachtig. Het was natuurlijk de sjaal van Aleid. Samen met wat andere attributen was dat het enige wat ze teruggevonden hadden op de plek waar zij verongelukt was. Dat… en wat lichaamsdelen.”

Hij nam opnieuw een slok.

“Aleid was die dag op weg naar een paar vriendinnen waarmee ze een wandeltocht zou gaan maken. Aleid was geen held in de auto. Ze was altijd wat gespannen als ze moest rijden… autorijden was een verzoeking voor haar. De verklaring van de agenten die mij bezochten was dat Aleid op de snelweg een verkeersopstopping of een file was ingereden. Ze had volgens sporenonderzoek goed gereageerd en tijdig geremd. Achter haar reed een vrachtwagen met oplegger die nauwelijks vaart minderde. De chauffeur, die het ongeval heeft overleefd, verklaarde dat hij die opstopping niet heeft gezien. Hij kwam tot stilstand toen zijn truck Aleid en haar wagen al volledig overreden had. Onze auto was ontploft en Aleid is in stukken gereten en grotendeels verbrandt. Het was nog een wonder dat die sjaal en andere dingetjes die in de auto lagen teruggevonden werden. Het was niet mogelijk om Aleid te identificeren, we hebben de restanten in een kist laten leggen en haar een normale uitvaart gegeven.”

Het bleef even stil in de auto. Alec stak nog een sigaret op en bleef via de spiegel naar Hazendans kijken.

“Het was bizar. Iedereen in de kerk wist dat de kist die binnengedragen werd niet het lichaam van Aleid bevatte maar slechts delen van haar lichaam. Verbrandde restanten. Ik heb dagenlang gedacht dat ik haar wilde zien maar dat is me ontraden. Ik weet niet of ik er spijt van heb maar het maakt het afscheid van haar moeilijk. Nog steeds.”

“Het enige bewijs was die sjaal, begrijp ik.”

“Ja. Dat en het uitgebrande en verbrijzelde wrak van onze auto.”

“Waarom had Lot zo’n sterke band met uw vrouw?”

Het viel Hazendans meteen op dat Alec hem niet langer tutoyeerde.

“Ik weet het niet Alec. Ik weet wel dat ze een hechte geloofsband met elkaar hadden. Dat had Aleid meer met Lot dan met ieder ander gezinslid.”

“Zijn ze allemaal actieve Danieten? Met uitzondering van Qiuse dan? …of Esther?”

“Alec… Qiuse en Esther zijn beiden opgegroeid binnen die gemeenschap. Totdat hun ouders, Esther en haar man, uit de stam werden verwijderd, toen zijn ze nooit meer in een Tent geweest. Dat heeft Aleid haar dochter diep kwalijk genomen. Het voelde alsof ze gefaald had, als moeder maar vooral als geestelijk zuster. Ze had nu alleen Esra nog als trouwe volgelinge en daarmee Lot, Esra’s dochter. En Aleid en Lot zijn altijd dol op elkaar geweest.”

“Vandaar de urn?”. Alec kneep zijn ogen wat toe terwijl hij Hazendans opnam in de spiegel.

“Dat wist ik niet. Ik schaam me er ook voor. Aleid heeft altijd op de schoorsteenmantel gestaan. We maakten daar tijdens ons leven ook grapjes over: dat we daar wilden staan als we gecremeerd waren. Lot vond het fijn dat de urn bij mij was. Ze kwam meerdere malen in de week op bezoek. Maar toen Aleid er eenmaal stond werd dat minder. Ze kwam iedere week hoor…”

Alec had ondertussen de wagen tot stilstand gebracht en luisterde met grote interesse naar de oude man die nu zichtbaar moe werd.

… maar ze werd meer en meer in beslag genomen door die jongeren bij de kerk. Ik ging me ondertussen steeds meer verdiepen in mijn studies. Totdat Bjorn verdween. Het hele gezin was in paniek. Behalve Lot, die was verdrietig en geschokt, die had net een vriendinnetje verloren en toen verdween Bjorn ook nog eens. Toch bleef ze alle bijeenkomsten met die jongeren bijwonen en sprak ze bij de bezoekjes die ze aan me bracht voornamelijk over oma. En toen begon ik nieuwsgierig te worden.”

Hij zuchtte en haalde diep adem.

“Om terug te komen op je vraag: ondertussen was ik nauwelijks meer thuis en ik denk dat Lot in die periode Aleid van de schoorsteenmantel heeft gehaald. Daar schaam ik me voor, dat ik Aleid niet heb gemist. Maar de nieuwsgierigheid was groter en ik voelde dat er iets niet in orde was. Aanvankelijk dacht ik dat het een vertrouwd groepje was waar Lot zich in begaf. Een jongerenclub uit de stam. Het waren afvallige jongens en meiden die zich aansloten bij een splintergroepering.”

“Purmerend.”

Hazendans knikte.

“Lijkt Qiuse op Aleid, mijnheer Hazendans?”

Hij keek Alec met glimmende ogen aan. Hij lachte waardoor zijn gezicht open leek te breken. Even maar, de vermoeidheid zoog hem zichtbaar op.

“Qiuse heeft de ogen van haar oma, net als Judith, haar tante.”

“De moeder van Bjorn.”

“Ja, en alle drie rood haar.” Hij glimlachte nog even en sloot zijn ogen.

“Viktor!”

Hazendans schrok op en keek in een peilloze diepte. Hij hoorde de stem van Alec maar begreep de woorden niet die hij uitsprak. In een moment voelde hij een klik, ergens in zijn lichaam maar onduidelijk waar.

Hij keek Alec aan.

“Wat vroeg je?”, hij draaide zijn gewrichten wat los en richtte zich op. Alec observeerde hem en raasde ondertussen door zijn gedachten.

“Ik vroeg u verder te vertellen over uw gezin.”

En Hazendans vertelde. Met zichtbaar nieuwe energie. En Alec hing aan zijn lippen.

 

Er was geen tijd voor mijnheer Hazendans om de ineenstorting van zijn woning te bekijken. Alec reed met een hoge snelheid de straat uit, draaide met een ogenschijnlijk gemak de bochten om en trapte het gaspedaal nog verder in. Hij sprak ondertussen met luide stem in zijn telefoon terwijl hij koortsachtig in zijn jaszakken leek te zoeken.

“Waar is de kerk?”

Hazendans probeerde zijn ademhaling weer op orde te krijgen en wreef met een pijnlijk gezicht over zijn voorhoofd en zijn borstkas. Hij was benauwd, hij was bang en hij vroeg zich af of hij deze rit zou overleven. In de achteruitkijkspiegel zag hij de ogen van Alec die geconcentreerd en turend naar de weg voor hem kijken. Dat stelde hem enigszins gerust.

“De kerk, Hazendans, geef me verdomme antwoord!”

Met de plotselinge stemverheffing leek hij tegelijkertijd decimeters in omvang toe te nemen. Hazendans kromp ineen en drukte zichzelf dieper in de achterbank. Hij schreeuwde de route, het zweet brak hem uit.

Alec leek de auto door de bochten te willen zwiepen, met een onwaarschijnlijk hoge snelheid die de wagen aan één kant met de banden van de straat liet komen jakkerde hij door de stille straten. Met een soepele beweging haalde hij een indrukwekkend pistool uit de schouderholster die onder zijn jas was verborgen. Met één hand aan het stuur en de andere aan het wapen controleerde hij de patroonhouder, klikte de veiligheidspal over, en gooide het op de passagiersstoel. Rechts van de weg doemde de kerk op.

“Waar woont Frans?”, Alec spuwde de woorden bijna uit zijn mond en toen Hazendans niet direct reageerde schoot zijn rechterhand naar achter en greep de oude man bij de schouder.

“Waar woont Frans, die kapelaan verdomme? Welke ingang moet ik hebben?”

Hijgend wees Hazendans door het zijraam en zuchtte hees.

“Hier…kerkhof…”

Gierend trokken de banden een remspoor over het plaveisel, Alec smeet de deur open, greep het wapen van de stoel en rende naar het hekwerk. Hij sprong erover en volgde het grintpad naar de woning. Hazendans’ mond viel open. Dit was niet menselijk. Het hek was ruim twee meter hoog en Alec nam de hindernis alsof hij over een laag obstakel sprong. Hij zag hoe hij de zware houten deur van de woning bijna uit de scharnieren trok toen hij naar binnen ging. Even was het oorverdovend stil, toen keerden de verre geluiden weer terug in zijn gehoor. Hij keek op horloge en zag dat hij verschrikkelijk trilde. Toch voelde hij geen angst, die was plotseling overgegaan in een krankzinnige observatie. Vlijmscherp nam Hazendans in zich op wat er gebeurde.

Alec verscheen weer in de deuropening, keek rond en liep terug naar het hek. De stalen deurklink brak onder zijn handen en de deuren vlogen open. In een ogenblik zat Alec weer achter het stuurwiel.

“Hij weet niks. Purmerend, religieuze groepering, onderdak bieden. Dat geleuter wat we al wisten van Qiuse. Hij weet niks van de gebeurtenissen net. Hij weet niet eens wie Sam is, denk ik…”

Het was even stil in de auto en Hazendans hoorde zijn rustige ademhaling. Alsof hij geen kracht verloren had.

“Wie ben jij, Alec? Je doet onmogelijke dingen… wat gebeurde er in die kelder?”

Alec knipperde niet eens met zijn ogen maar stak een sigaret op.

“Dat antwoord zal ik je geven zodra jij mij jouw rol in de fusillade van de man van Aleid hebt vertelt… Viktor.”

Het was alsof zijn keel gesnoerd werd.

‘Wie ben jij?’, piepte hij.

Achter hem ontsloot de kofferruimte zich. Door het zijraam zag hij Alec voorbij gaan. Hij hoorde het ontsluiten van een koffer, een schroefgeluid en enkele harde klikken. Tellen later liep Alec aan de andere kant van de auto van hem af en liep nu keurig door het open hek opnieuw het grintpad op. Hij liep een zijtak in en verdween achter de kerk. Hazendans strekte zich zover mogelijk uit maar kon hem niet meer zien. Er tikten een paar minuten weg toen de aarde ineens leek te schudden, gevolgd door een forse dreun.

Alec kwam weer in beeld en liep in normale tred terug naar de auto.

Hij startte en keek Hazendans aan.

“Ik heb explosieven in die ondergrondse ruimte gegooid. Die ruimte is afgedekt met een stenen plaat die versierd is met het teken van Dan. Jij wist van die ruimte. Je bent een bijzondere man, Hazendans. Eerst NSB’er, nu een Daniet.”

Hij draaide weer terug en startte de auto. Vanuit de achteruitkijkspiegel keek hij met opvallend twinkelende blik in de oude, verwarde ogen. Hij schakelde naar de eerste versnelling.

“We gaan het rustige onderzoek van Sam eens even wat peper in de reet schuiven Viktor! Vertel, waar woont Jo?”